
Toezichthouders, zoals de OPTA en de NMa, zijn bevoegd om regels op te stellen en boetes op te leggen terwijl de relatie met de ministeriële verantwoordelijkheid vaak onduidelijk is. In haar proefschrift onderzoekt Saskia Lavrijssen-Heijmans deze toezichthouders en gaat na of er sprake is van good governance. Lavrijssen beschrijft hoe de wetgever de mededingingstoezichthouders in staat kan stellen de belangenafwegingen volgens goede procedures voor te bereiden en hun werk op een eerlijke, democratische en effectieve wijze uit te voeren. Volgens Lavrijssen moet de wetgever een nieuwe benadering toepassen bij de oprichting van onafhankelijke mededingingstoezichthouders. Ook moet de wetgever erkennen dat deze toezichthouders voldoende speelruimte moeten krijgen om op een effectieve wijze te kunnen inspelen op de dynamiek van de markt. Gebeurt dat niet, dan heeft dat funeste gevolgen voor de consument, die dan niet of nauwelijks kan profiteren van de voordelen van liberalisering. Ook samenwerking van de toezichthouders met de Europese commissie en toezichthouders uit andere lidstaten is gewenst, zodat de consument zoveel mogelijk kan profiteren van een vrije marktwerking en een Europese interne markt. De wetgever zou verder meer inspiratie moeten halen uit de stakeholderstheorie, waarin de nieuwe Europese en nationale good governance beginselen (zoals transparantie, accountability en participatie) moeten waarborgen dat de mededingingstoezichthouders hun keuzeruimte op een legitieme en effectieve wijze invullen. De Europese en nationale wetgever moeten volgens Lavrijssen een aantal minimumwaarborgen treffen om te zorgen dat de toezichthouders hun bevoegdheden op een effectieve en legitieme wijze uitoefenen. Ook zijn speciale wettelijke voorzieningen nodig om te zorgen dat de belangen van de consument op een adequate wijze kunnen worden vertegenwoordigd door consumentenorganisaties. Een cruciaal aspect daarbij is dat mededingingstoezichthouders moeten worden verplicht een good governance code op te stellen.