
Het Europese debat over digitale soevereiniteit blijft vaak beperkt tot scherpe tegenstellingen: afhankelijkheid of ontkoppeling, regulering of innovatie, Europa of Silicon Valley. Deze standpunten verschuiven nu echter steeds meer richting de factoren die innovatie en vooruitgang binnen de huidige wereldwijde digitale ecosystemen aanjagen.
Auteur: Nicola Rustignoli - co-CEO van SCION Association
Bij een bedrijfskritische digitale infrastructuur gaat soevereiniteit niet om het terugtrekken uit wereldwijde markten of het gedwongen verplaatsen van technologie van de ene regio naar de andere. De beste oplossingen stellen juist keuzevrijheid en flexibiliteit centraal. Zo kunnen overheden, toezichthouders en aanbieders van essentiële diensten zelf bepalen waar data naartoe stroomt, welke regels gelden en onder welke jurisdictie die data valt.
De hernieuwde aandacht voor een ‘EuroStack’, investeringen in soevereine technologie en voorstellen om bij aanbestedingen vaker Europees in te kopen, laat zien dat het besef groeit dat soevereiniteit de juiste architectuur nodig heeft. Die kan organisaties duidelijkheid geven over waar data naartoe stroomt en onder welke jurisdictie die valt. Tegelijkertijd boekt Europa concrete vooruitgang bij het beter op elkaar afstemmen van beleid, investeringen en infrastructuur voor deze doelstellingen. Zo kunnen investeringen in chips, netwerken, cloudtechnologie en AI elkaar versterken binnen één samenhangend systeem. Dat systeem waarborgt bestuurlijke en operationele controle en biedt tegelijkertijd volop kansen in heel Europa.
Weerbaarheid door keuzevrijheid
Hier komen de bredere Europese ambities rond digitale soevereiniteit samen met concrete keuzes over infrastructuur. Het doel is niet Europa technologisch te isoleren, maar door keuzevrijheid meer weerbaarheid te creëren. Soevereiniteit krijgt pas betekenis als organisaties routes kunnen kiezen die gevoelige data binnen Europese jurisdicties houden, voldoen aan Europese wetgeving en operationeel blijven als delen van het wereldwijde internet uitvallen of worden aangetast.
Tegelijkertijd vermijdt Europa terecht de valkuil om ieder buitenlands platform op dezelfde schaal te willen nabouwen. De Europese keuze voor opensourcesoftware en gedeelde digitale infrastructuur, bijvoorbeeld via digital commons en grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden, laat zien dat soevereiniteit niet betekent dat Europa iedere laag van de technologiestack zelf moet bezitten. Open standaarden en opensource-implementaties kunnen afhankelijkheden verkleinen en tegelijk de samenwerking tussen publieke en private partijen versnellen.
Open source speelt dan ook een belangrijke rol bij digitale soevereiniteit, vooral in combinatie met inzicht in en controle over de manier waarop data zich door netwerken beweegt. Software kan transparant zijn, maar als de onderliggende netwerkarchitectuur data via ondoorzichtige routes leidt of langs routes die niet aan de regels voldoen, blijft de governance kwetsbaar.
Niet alleen waar data staat, maar ook hoe data reist
Veel discussies over digitale soevereiniteit gaan over de zichtbare lagen van de technologiestack. Bijvoorbeeld het eigendom van cloudplatformen, de productiecapaciteit voor halfgeleiders, datalokalisatie en de afhankelijkheid van hyperscalers. De manier waarop beslissingen over dataroutes tot stand komen, is steeds belangrijker. Iedere gegevensuitwisseling is afhankelijk van impliciete aannames over vertrouwen binnen het Border Gateway Protocol (BGP). Dit systeem bestaat al tientallen jaren en bepaalt hoe internetverkeer zich tussen autonome netwerken en verschillende jurisdicties verplaatst. Deze routeringssystemen zijn ontworpen met bereikbaarheid en efficiëntie als belangrijkste uitgangspunten. Dat biedt ruimte om ook beleidsregels in de routering mee te nemen. Momenteel worden routes echter vooral bepaald door bereikbaarheid en economische voorkeuren, en niet door juridische aansluiting, blootstelling aan regelgeving of strategische risico’s.
Daardoor kan een organisatie wat betreft dataopslag volledig voldoen aan eisen voor dataresidentie, terwijl het dataverkeer op netwerkniveau onbedoeld toch door andere jurisdicties loopt. Echte digitale soevereiniteit kan daarom niet alleen worden beoordeeld op basis van de plaats waar data wordt opgeslagen of verwerkt. Organisaties moeten zicht hebben op de impliciete afhankelijkheden die bepalen hoe hun data zich daadwerkelijk verplaatst en deze routes kunnen beheren. Daarom is connectiviteit een cruciale laag binnen digitale soevereiniteit. Wie bepaalt hoe het verkeer loopt? Welke jurisdicties worden onderweg aangedaan? En wat gebeurt er wanneer een verbinding uitvalt?

Vertrouwde routes expliciet vastleggen
Nieuwe architecturen bieden mogelijkheden om deze vragen te beantwoorden. Daarbij zijn beslissingen over routes expliciet, controleerbaar en afgestemd op beleid, zodat data via vertrouwde paden kan reizen. Een voorbeeld is SCION (Scalability, Control and Isolation On Next-Generation Networks). Deze internetarchitectuur is ontwikkeld aan de ETH Zürich en laat zien hoe controle over routes en weerbaarheid rechtstreeks in de netwerkarchitectuur kunnen worden ingebouwd.
SCION is ontworpen om structurele zwaktes in de routering van internetverkeer aan te pakken. Routes worden daarbij niet uitsluitend bepaald door bereikbaarheid en commerciële afspraken tussen netwerkpartijen. Met een path-aware architectuur kunnen operators zelf vertrouwde routes vastleggen, deze cryptografisch verifiëren en bij een verstoring dynamisch overschakelen naar een alternatief pad. In de praktijk helpt deze geïntegreerde benadering organisaties hun operationele continuïteit te waarborgen en risico’s in een dynamische omgeving te beheersen. Zo ontstaat een digitaal ecosysteem waarin vertrouwen, controle en wereldwijde deelname het resultaat zijn van bewuste ontwerpkeuzes. Governance over dataroutes is hierdoor op netwerkniveau af te dwingen, terwijl het systeem verbonden blijft met het wereldwijde internet.
Soevereiniteit in samenhang
Deze aanpak sluit goed aan bij de huidige beleidsrichting van de Europese Unie. De roep om grootschalige investeringen in soevereine technologie, een pas op de plaats bij verdere regelgeving om ruimte te bieden aan investeringen en een betere afstemming tussen defensie-, industrie- en digitaliseringsstrategieën laat een groeiend besef zien dat soevereiniteit een samenhangend geheel vormt. Chips zonder vertrouwde netwerken blijven kwetsbaar. Hetzelfde geldt voor AI zonder controle over de jurisdicties waar datastromen doorheen lopen.
Met de inzet op opensource-ecosystemen versterkt Europa de samenwerking en vermindert het afhankelijkheden. De combinatie van open infrastructuur en gecontroleerde, path-aware connectiviteit leidt tot systemen die zowel flexibel als strategisch robuust zijn. Een kernstrategie die op open source is gebaseerd, vormt hierop een logische aanvulling. Dat voorkomt dat de controle bij één leverancier of binnen één jurisdictie komt te liggen. Soevereiniteit wordt zo een gezamenlijke kracht, in plaats van een nationaal geïsoleerd systeem.
Volwassen digitale soevereiniteit ontstaat niet door verklaringen, voorkeursbeleid bij aanbestedingen of symbolische toezeggingen. Governance moet onderdeel zijn van de technische architectuur van de connectiviteit zelf. Alleen dan krijgen organisaties daadwerkelijk controle over routes, jurisdicties en de risico’s waaraan zij worden blootgesteld. Soevereiniteit wordt pas concreet als die wordt afgedwongen op het niveau waar vertrouwen tot stand komt en internetverkeer wordt aangestuurd. De echte toets is daarom niet waar data wordt opgeslagen, maar of de route die deze data aflegt, beheersbaar is.
Technologieën zoals SCION vereisen niet dat Europa niet-Europese partners uitsluit. Ze helpen beheerders van kritieke infrastructuur om expliciete keuzes te maken over routes, vertrouwen en isolatie. Zo zorgen zij ervoor dat data binnen Europa blijft en dat governance onder Europese wetgeving ook daadwerkelijk op netwerkniveau is af te dwingen.