
Google moet als een volleerde en invoelende bibliothecaresse kunnen inschatten welke informatie op een bepaald moment adequaat is. En computersystemen zouden zich toch beter moeten kunnen aanpassen aan hun gebruikers. Dat zeggen twee promovendi in de informatiekunde, Bas van Gils en Paul de Vrieze. Zoeksystemen moeten helpen om de juiste informatie, op het juiste moment, in de juiste vorm te vinden. Maar zoeksystemen richten zich vooral op het vinden van documenten die over het goede onderwerp gaan. Het gevolg is dat veel resultaten niet voldoen aan de wensen van de zoeker. Als het zoeksysteem zou begrijpen dat de gebruiker zoekt per mobieltje, moet het geen enorme bestanden presenteren. En als er geen mediaspeler op de hardware staat, moet het niet aankomen met film en geluid. Ook het doel van de te zoeken gegevens zou meegenomen kunnen worden evenals persoonlijke kenmerken van de gebruiker (leeftijd, opleiding, et cetera). Van Gils, informatiekundige van het Institute for Computing and Information Science (ICIS), heeft een methode ontwikkeld om de geschiktheid van informatie beter te waarderen. Hij gebruikt hiervoor een economische model waar kosten en baten tegen elkaar moeten worden afgewogen. Hij vat het world wide web op als een informatiemarkt, waarbij zoekers kosten maken om informatie van waarde te vinden. Zoekmachines spelen in dit model de rol van makelaar. Die hebben een speciale rol in het waarderen van de informatie voor de kopende (zoekende) partij. Dat gaat veel verder dan het stoeien met trefwoorden. Deze makelaars moeten aan de hand van allerlei eigenschappen (onderwerp, vorm, taal) inschatten wat de waarde van een document is voor een zoeker in een bepaalde situatie. Van Gils pleit er voor vorm en inhoud los te knippen, terwijl De Vrieze voorstelt om de analyse van de voorkeuren in een apart systeem onder te brengen, tussen software en gebruiker in. Zo blijft de gebruiker de baas over zijn eigen gegevens.